De agrarische bedrijven in Nederland verschillen onderling sterk in bedrijfsopzet. Op het ene bedrijf worden bijvoorbeeld varkens gehouden, terwijl op een ander bedrijf appels worden geproduceerd. Om bedrijven te kunnen indelen en met elkaar te kunnen vergelijken, zijn er economische normen in gebruik. Vanaf 2010 zijn dat de SO-normen, waar voorheen de nge werd gebruikt. Die normen zijn berekend voor alle gewassen en dieren die (duurzaam) op het Landbouwtellingsformulier zijn opgenomen. Met behulp van die normen kunnen de appels en varkens bij elkaar worden geteld en kan de economische bedrijfsomvang en het bedrijfstype (specialisatiegraad) van agrarische bedrijven worden berekend. Die gegevens worden onder andere gebruikt om bedrijven voor statistiek en onderzoek in te delen in bedrijfstypen en grootteklassen. Wilt u de normen bekijken of de omvang van een bedrijf berekenen, ga dan naar de handige Rekenmodule.
Definitie en achtergrond van de Standaardopbrengst (SO)
Vanaf 2010 is de Standaardopbrengst (SO) in gebruik als criterium om de omvang en specialisatiegraad vast te stellen. De definitie van de SO is afgeleid van die van de Standard Output die vanaf dat jaar in Europese statistieken wordt gebruikt. De SO-norm is een gestandaardiseerde opbrengst per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald. Bedrijfstoeslagen en subsidies zijn niet in de opbrengst opgenomen. Ook voor biologische productiemethoden zijn geen aparte normen opgesteld. De SO wordt uitgedrukt in euro.
Voor elke productie-eenheid die (duurzaam) bij de Landbouwtelling wordt gevraagd, is een norm per eenheid bepaald. De totale bedrijfsomvang van een bedrijf wordt berekend als sommatie van de totale SO van alle gewassen en dieren. De opbrengst van de jonge dieren (kalveren, biggen, lammeren, geitjes) is bij de moederdieren meegenomen. Ook gewassen die op het eigen bedrijf worden gebruikt, zoals grasland en snijmaïs, worden in de SO meegenomen.
De normen voor Standard Output die aan Eurostat worden geleverd voor gebruik in de FSS zijn afgeleid van de Nederlandse normen. De FSS is minder gedetailleerd dan de Landbouwtelling en de normen voor de FSS zijn daarom vastgesteld als gewogen gemiddelden van die van de onderliggende Landbouwtellingsrubrieken.
Herzien van de normen
De SO-normen zijn gebaseerd op genormaliseerde vijfjaargemiddelde opbrengsten per jaar en worden herzien in elk jaar dat Eurostat de FSS uitvoert. Bij gebruik voor de FSS van 2010 zijn normen opgesteld op het prijsniveau van 2007. De eerstvolgende herziening staat voor 2013 op het programma, waarbij de normen het prijsniveau 2010 zullen hebben. Veel statistieken zullen vanaf 2000 of 2001 worden teruggerekend. Voor de periode 2000-2009 zal worden gerekend met de normen van prijsniveau 2004. Die SO-normen zijn afgeleid van informatie die is gebruikt bij berekeningen van de Bruto-standaardsaldi en nge met prijsniveau 2004.
NSO-typering
Behalve een nieuwe maat voor de bedrijfsomvang, heeft de EU ook een nieuw typeringsschema voor agrarische bedrijven ontwikkeld. In een overleg tussen het Ministerie van LNV, het CBS en LEI is vastgesteld dat een Nederlandse variant daarvan wenselijk was. In die variant komen alleen de bedrijfstypen voor die voor de Nederlandse situatie relevant zijn (dus bijvoorbeeld geen rijst- of olijfboombedrijven) en zijn belangrijke groepen apart benoemd, zoals bloembollen-, vleeskalveren- en zetmeelaardapppelbedrijven. De nieuwe typering heeft de naam NSO-typering gekregen: het is de Nederlandse variant op de Europese Standard Output typering. Bij de ontwikkeling van de indeling is zo nauw mogelijk aangesloten bij de Europese typering.
De NSO-typering bestaat uit 2 niveaus: een 9-indeling en een 38-indeling. In statistieken zal de 9-indeling overigens uit een 8-indeling bestaan, omdat rubriek 9 is gedefinieerd als bedrijven met een SO van 0 euro en in statistieken veelal een ondergrens in bedrijfsomvang wordt gehanteerd. De typering bestaat uit een code en een naam, waarbij de code van de 9-indeling uit 1 cijfer bestaat en die van de 38-indeling uit 4 cijfers. Ook de codering is afgeleid van de Europese typering.
Het rekenschema is gebaseerd op aandelen van SO van bepaalde groepen producten in het totaal van de SO of in subtotalen. Een akkerbouwbedrijf haalt bijvoorbeeld minimaal 2/3 van de totale SO uit akkerbouwgewassen. Een compleet overzicht van alle indelingen, grenzen en voorwaarden komt later beschikbaar.
De volgende bedrijfstypen worden in de NSO-typering onderscheiden:
1 Akkerbouwbedrijven
1500 Graan-, oliezaad- en eiwitgewasbedrijven
1601 Zetmeelaardappelbedrijven
1602 Akkerbouwgroentebedrijven
1603 Akkerbouwbedrijven met vooral voedergewassen
1604 Overige akkerbouwbedrijven
2 Tuinbouwbedrijven
2111 Glasgroentebedrijven
2121 Snijbloemenbedrijven
2122 Pot- en perkplantenbedrijven
2131 Overige glastuinbouwbedrijven
2210 Opengrondsgroentenbedrijven
2221 Bloembollenbedrijven
2310 Paddenstoelbedrijven
2320 Boomkwekerijbedrijven
2331 Overige tuinbouwbedrijven
3 Blijvendeteeltbedrijven
3500 Wijngaardbedrijven
3610 Fruitbedrijven
3699 Overige blijvende teeltbedrijven
4 Graasdierbedrijven
4500 Melkveebedrijven
4611 Vleeskalverenbedrijven
4612 Overige rundveebedrijven
4810 Schapenbedrijven
4830 Geitenbedrijven
4841 Paard- en ponybedrijven
4842 Graasdierbedrijven met vooral voedergewassen
4843 Overige graasdierbedrijven
5 Hokdierbedrijven
5111 Fokzeugenbedrijven
5121 Vleesvarkensbedrijven
5131 Overige varkensbedrijven
5211 Leghennenbedrijven tbv consumptieeieren
5221 Vleeskuikenbedrijven
5231 Overige pluimveebedrijven
5301 Overige hokdierbedrijven
6 Gewascombinaties
6100 Gewascombinaties
7 Veeteeltcombinaties
7300 Veeteeltcombinatie, vooral graasdieren
7400 Veeteeltcombinatie, vooral hokdieren
8 Gewas/veecombinaties
8300 Akkerbouw-graasdiercombinaties
8400 Overige gewas/veecombinaties
9 Niet ingedeelde bedrijven
9000 Niet ingedeelde bedrijven
Standaardopbrengst en volwaardigheid
De bedrijfsomvang wordt vaak gekoppeld aan de volwaardigheid van een bedrijf, waarbij het idee is dat er ergens een grens bestaat tussen volwaardige en onvolwaardige bedrijven. Het is zeer moeilijk een dergelijke grens goed te benoemen (zie meer informatie bij volwaardigheid). Met de SO of de nge worden bijvoorbeeld de verbredingsactiviteiten niet gemeten. Maar ook andere redenen, zoals normen versus werkelijke situatie en de definities van kengetallen zelf, geven aan dat een bedrijf niet kan worden afgerekend op de normatieve bedrijfsomvang.
Tot eind jaren tachtig bestond de sbe (standaard bedrijfseenheid) als norm voor het bepalen van de bedrijfsomvang. Die sbe was een indicator voor de netto toegevoegde waarde en daarmee ook een redelijke indicator voor de arbeidsbehoefte. Met de intrede van de Nederlandse grootte-eenheden (nge) werd die afstand tot de arbeidsinzet al wat groter (de nge was gebaseerd op het saldo) en met de overstap naar de Standaardopbrengst (SO) is die directe link vrijwel helemaal verdwenen. Bij de melkveebedrijven maken de arbeidskosten bijvoorbeeld rond de 30% uit van de totale kosten en bij varkensbedrijven maar 15%. Wel is het uiteraard zo dat binnen een groep van gelijksoortige bedrijven bedrijven met een grotere bedrijfsomvang efficiënter kunnen werken dan kleinere bedrijven en daardoor met de zelfde arbeidsinzet meer kunnen produceren. Die verschillen worden in beeld gebracht met kengetallen als SO per mensjaar en nge per mensjaar. Die kengetallen zijn zoals hierboven aangegeven echter nog niet direct goede indicatoren of harde grenzen voor volwaardigheid. De uitkomsten van die kengetallen zijn ook terug te vinden in de tabellen met bedrijfsopzet per bedrijfstype in de BINternet-database, zoals in dit voorbeeld voor de melkveebedrijven.