In diverse regelgevingen wordt verwezen naar volwaardigheid van bedrijven of naar volwaardige arbeidskrachten. Vaak wordt dat gekoppeld aan de bedrijfsomvang van bedrijven, waarbij de nge als maatstaf wordt genomen. Met de overstap naar de Standaardopbrengst (SO) als vervanger van de nge, moet in feite ook die regelgeving worden aangepast. Dat is uiteraard de verantwoordelijkheid van die regelgevers zelf. Het gebruik van de nge als indicator voor volwaardigheid van bedrijven is arbitrair, want de nge was daar niet voor bedoeld: het was een maat voor het normatieve saldo en niet voor arbeidsinzet of het werkelijk te realiseren inkomen van een individueel bedrijf. De SO staat als kengetal nog verder van de arbeidsinzet of het inkomen dan de nge en daarmee is het nog minder geschikt als een algemene indicator voor volwaardigheid. Op deze webpagina komen enkele aspecten over volwaardigheid aan de orde.
Wilt u de normen bekijken of de omvang van een bedrijf berekenen, ga dan naar de Rekenmodule.
Volwaardige bedrijven
Een volwaardig bedrijf is een moeilijk te omschrijven en te kwantificeren begrip. Afhankelijk van het doel van de vraag kan het bijvoorbeeld gedefinieerd zijn als voldoende productieve werkgelegenheid op een bedrijf voor tenminste een persoon, of een bepaald niveau aan toegevoegde waarde of de continuïteitskansen onder toekomstig beleid. Bij het laatste heeft ook de financiering van het bedrijf invloed. Er kan ook voor een combinatie van factoren worden gekozen, bijvoorbeeld dat het bedrijf een dagtaak voor een persoon moet opleveren en dat het de mogelijkheid biedt tot een ‘redelijk’ inkomen.
Vaak wordt de bedrijfsomvang (gemeten in nge) als indicator gebruikt om te bepalen of een bedrijf al dan niet volwaardig is. De nge zijn echter normen. De werkelijke economische omvang bij individuele bedrijven zal dan ook vaak afwijken van de norm. Er zijn immers bedrijven die bovengemiddelde resultaten behalen en andere bedrijven die bij vergelijkbare bedrijfsopzet onder het gemiddelde blijven. Daarnaast geldt ook dat de afzet van producten kan verschillen of dat ook inkomen wordt behaald uit activiteiten die geen norm krijgen, zoals verwerken van producten, loonwerk, natuurbeheer of energieproductie. Er is dus meer informatie van bedrijven nodig om de volwaardigheid goed te kunnen beoordelen. Het LEI koppelt volwaardigheid daarom bij voorkeur niet aan een normatieve bedrijfsomvang.
Arbeidsinzet: mensjaren, arbeidsjaareenheden en volwaardige arbeidskrachten (vak)
De arbeidsinzet kan in meerdere kengetallen worden uitgedrukt: de volwaardige arbeidskracht (vak), de arbeidsjaareenheid en het mensjaar. De volwaardige arbeidskracht (vak) is door het LEI als kengetal gebruikt tot en met het jaar 1999. Daarna is het vervangen door de arbeidsjaareenheden en mensjaren. Het mensjaar geeft van de drie kengetallen het beste zicht op de totale arbeidsinzet en de arbeidsbehoefte op een bedrijf, vanwege de directe link met het gewerkte aantal uren.
Een mensjaar is gesteld op 1.700 gewerkte 'volwaardige uren'. Die 1.700 is het aantal uren dat werkelijk gewerkt kan worden bij een normale CAO, rekening houdend met verlof en dergelijke. Als een persoon 3.400 uur werkt, is de arbeidsinzet dus 2 mensjaren.
Een arbeidsjaareenheid is gekoppeld aan personen en komt overeen met maximaal 2.000 gewerkte uren. Als iemand 1.000 uur werkt, telt hij/zij voor 0,5 aje. Als een persoon meer dan 2.000 uur werkt, is het toch maar 1 aje. De aje geeft om deze reden geen goed beeld van de totale arbeidsbehoefte op een bedrijf. De eerdergenoemde persoon die 3.400 uur werkt, heeft dus een inzet van 2 mensjaren, maar slechts 1 a.j.e.
Een volwaardige arbeidskracht (vak) was opgebouwd uit de onderdelen beschikbaarheid en validiteit (en dus niet uit productiviteit). Uitgangspunt bij de berekening van het aantal vak per bedrijf was dat een ondernemer die niet invalide is en het hele jaar door beschikbaar is, als één volwaardige arbeidskracht werd beschouwd, ook als zijn arbeidsinzet beperkt bleef tot bijvoorbeeld 1.000 uur. Het kengetal vak is vanaf 2000 niet meer bij het LEI in gebruik.
Van de drie beschikbare kengetallen brengt het mensjaar, zoals eerder aangegeven, de arbeidsinzet het best in beeld.
Arbeidsinzet, bedrijfstype en bedrijfsomvang
Voor de beantwoording van vragen over arbeidsinzet en volwaardigheid zijn de definities die het LEI hanteert van belang. Uit die definities blijkt al dat kengetallen als nge per mensjaar of SO per mensjaar slechts een richtlijn kunnen zijn: de nge is immers een vergoeding voor meer dan alleen de arbeid, terwijl een arbeidskracht alleen over arbeid gaat. Er zullen daardoor in ieder geval al verschillen zijn tussen arbeidsintensieve en kapitaalsintensieve bedrijven en bedrijfstypen. De Standaardopbrengst (SO) staat nog verder weg van de arbeidsinzet en arbeidsvergoeding dan de nge.
In oktober 2006 is een Agri-Monitor-artikel gepubliceerd, waarin aandacht wordt besteed aan de arbeidsinzet naar bedrijfsomvang. Het aantal uren per nge staat daarin centraal.
Recente informatie over arbeidsinzet (nge per mensjaar) van enkele bedrijfstypen is ook terug te vinden in de tabellen met bedrijfsopzet in BINternet. Als voorbeeld wordt hierbij de link gegeven naar de grootteklassen in de melkveehouderij, maar de tabellen kunnen ook voor andere bedrijfstypen worden bekeken. Op BINternet is ook een samenvattende tabel opgenomen met SO per mensjaar per bedrijfstype en bedrijfsgrootte.
Gegevens over nge per mensjaar zijn eerder gepubliceerd bij de veelgestelde vragen over de nge. Die informatie is verouderd en wordt niet meer onderhouden.