NGE en NEG-typering

  Barometer
  Binternet
  Land- en tuinbouwcijfers
  Agrarische prijzen
  Bedrijfsomvang en -type
  SO en NSO-typering
  Volwaardigheid van bedrijven
  NGE en NEG-typering
  Sectoren A-Z

Vanaf 2010 wordt de bedrijfsomvang en het bedrijfstype vastgesteld met de Standaardopbrengst (SO) in plaats van met de nge. De nge normen zijn in 2007 voor het laatst berekend, op prijsniveau 2004, en zullen ook niet meer worden aangepast. Wel blijven de normen nog tot eind 2012 beschikbaar in de rekenmodule en blijft deze informatie bij veelgestelde vragen over de nge nog enige tijd bestaan. De informatie op deze pagina wordt niet meer onderhouden en zal begin 2013 worden verwijderd.

Wilt u de normen bekijken of de bedrijfsomvang van een bedrijf berekenen, ga dan naar de Rekenmodule.

Hieronder staan een aantal veelgestelde vragen over bss en nge. Heeft u vragen over een ander onderwerp? Stel ze hier.

 Definities, rekenen en de normen zelf

 Normen, arbeid en volwaardigheid

 Normen voor specifieke producten

 Algemene vragen over de normen en herzieningen 



Wat is de definitie van bss?
Het Brutostandaardsaldo (bss) is gedefinieerd door de Europese Commissie als: ‘De in geldswaarde uitgedrukte totaalopbrengst minus bepaalde bijbehorende specifieke kosten’. Het bss geeft een vergoeding voor de factorkosten (arbeid en kapitaal) en de niet-toegerekende non-factorkosten zoals afschrijving en onderhoud (zie figuur).Het is een nominaal bedrag dat is uitgedrukt in euro.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

To-

tale

op-

breng-

sten

 

Netto-bedrijfsresultaat

Netto

toege-voegde

waarde

(voor-heen
sbe)

Bruto-

saldo

(bss)

 

To-

Tale

Kosten

 

Factor-

kosten

 

Arbeid

 

Personeel

Gezinsleden

Ondernemer(s)

Loonwerk *)

Rente

 

Rente machines & werktuigen

Rente bedrijfsgebouwen

Netto-grondpacht

Rente levende inventaris en omlopend vermogen

Non-

factor-

kosten

 

Afschrijving machines & werktuigen

Afschrijving bedrijfsgebouwen

Onderhoud, brandstof machines en werktuigen en algemene kosten (inclusief waterschapslasten en dergelijke)

Zaaizaad, plant- en pootgoed

Directe

kosten

Meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen

Veevoer

Energie ruimteverwarming en verlichting

Overige directe kosten

*) Van de totale kosten voor loonwerk wordt 45% gezien als vergoeding voor arbeid en kapitaal (factorkosten); de overige 55% valt dan onder de indirecte nonfactorkosten (afschrijving, machines en brandstof.
 

Wat is de definitie van nge?
De Nederlandse grootte-eenheid (nge) is een reële economische maatstaf die gebaseerd is op het brutostandaardsaldo (bss, opbrengsten minus bepaalde specifieke kosten). Het is een maat waarmee de economische omvang van agrarische activiteiten wordt weergegeven. De nge per technische productie-eenheid (ha, dier) wordt berekend door de bss van de productie-eenheden te delen door een bepaalde deelfactor, die per jaar kan verschillen. De nge wordt zowel gebruikt om de absolute bedrijfsomvang van agrarische bedrijven of sectoren weer te geven (uitgedrukt in nge) als om de specialisatiegraad van bedrijven te bepalen (volgens de NEG-typering). 
De bss en nge worden normaal gesproken om de twee jaar herzien. De normen krijgen de naam van het jaar waarvan het prijsniveau is gebruikt. De laatste berekening van normen is gebeurd op prijsniveau 2004. Die normen zijn voor het eerst gebruikt in de Landbouwtelling van 2007.
Een nge staat bij prijsniveau 2004 (Landbouwtellingen 2007 en verder) voor 1.420 euro aan saldo. Voor het prijsniveau en de deelfactor van bss naar nge (en bss naar ege) van andere jaren, zie de tabel:  

Landbouwtelling
prijsniveau deelfactor (1 nge = … euro)
                     nge ege
2000 1996 1.390 1.200
2001 1998 1.390 1.200
2002 1998 1.390 1.200
2003 2000 1.375 1.200
2004 2000 1.375 1.200
2005 2002 1.400 1.200
2006 2002 1.400 1.200
2007 2004 1.420 1.200
2008 2004 1.420 1.200
2009 2004 1.420 1.200
2010 2004 1.420 1.200
       
  

Wat is de definitie van ege?
De Europese grootte-eenheid (ege) is net als de nge een reële economische maatstaf die gebaseerd is op het brutostandaardsaldo (bss, opbrengsten minus bepaalde specifieke kosten). Het is een maat waarmee door de EU de economische omvang van agrarische activiteiten wordt weergegeven. De ege per technische productie-eenheid (ha, dier) wordt berekend door de bss van de productie-eenheden te delen door een bepaalde deelfactor, die per jaar kan verschillen. De ege wordt zowel gebruikt om de absolute bedrijfsomvang van agrarische bedrijven of sectoren weer te geven (uitgedrukt in ege) als om de specialisatiegraad van bedrijven te bepalen (volgens de EG-typering). 
De bss, nge en ege worden om de twee jaar herzien. De normen krijgen de naam van het jaar waarvan het prijsniveau is gebruikt. De laatste berekening van normen is gebeurd op prijsniveau 2004.
Een ege staat de laatste jaren voor 1.200 euro aan saldo (standard gross margin, sgm), zie tabel:  

Landbouwtelling
prijsniveau deelfactor (1 nge = … euro)
                     nge ege
2000 1996 1.390 1.200
2001 1998 1.390 1.200
2002 1998 1.390 1.200
2003 2000 1.375 1.200
2004 2000 1.375 1.200
2005 2002 1.400 1.200
2006 2002 1.400 1.200
2007 2004 1.420 1.200
2008 2004 1.420 1.200
2009 2004 1.420 1.200
2010 2004 1.420 1.200
       


 
Arbeidsinzet: volwaardige arbeidskrachten (vak), arbeidsjaareenheden of mensjaren?
De arbeidsinzet kan in meerdere kengetallen worden uitgedrukt: de volwaardige arbeidskracht, de arbeidsjaareenheid en het mensjaar. De volwaardige arbeidskracht (vak) is door het LEI als kengetal gebruikt tot 1999. Daarna is het vervangen door de arbeidsjaareenheden en mensjaren. Het mensjaar geeft van de drie het beste zicht op de totale arbeidsinzet en arbeidsbehoefte op een bedrijf.
Een mensjaar is gesteld op 1.700 gewerkte 'volwaardige uren'. Die 1.700 is het aantal uren dat werkelijk gewerkt kan worden bij een normale CAO, rekening houdend met verlof en dergelijke. Als een persoon 3.400 uur werkt, is de arbeidsinzet dus 2 mensjaren.
Een arbeidsjaareenheid komt overeen met 2.000 gewerkte uren. Als iemand 1.000 uur werkt, telt hij/zij voor 0,5 aje. Als een persoon meer dan 2.000 uur werkt, is het toch maar 1 aje. De aje geeft om deze reden geen goed beeld van de totale arbeidsbehoefte op een bedrijf. De persoon die 3.400 uur werkt, heeft dus een inzet van 2 mensjaren, maar slechts 1 a.j.e.
Een volwaardige arbeidskracht (vak) was opgebouwd uit de onderdelen beschikbaarheid en validiteit (en dus niet uit productiviteit). Uitgangspunt bij de berekening van het aantal vak was dat een ondernemer die niet invalide is en het hele jaar door beschikbaar is, als één volwaardige arbeidskracht werd beschouwd. Voor betaald personeel gold de tijdsduur waarover het loon werd betaald. Voor onbetaald personeel gold de volledige tijd, voorzover geen nevenfuncties werden uitgeoefend of een dagschool werd bezocht (mannelijk personeel) of de tijdsduur, waarin werkelijk in het bedrijf was meegewerkt (vrouwelijk personeel en 65-plussers). Verder werd de volwaardigheid van personen van 18 jaar gesteld op 90%, voor personen van 17 jaar was dit 80% en voor personen van 16 jaar was dit 65%. Daarnaast werd aangenomen dat bij ziekte de betrokken medewerker niet beschikbaar was. Het kengetal is vanaf 2000 niet meer in gebruik.

Het mensjaar brengt de arbeidsinzet van de 3 beschikbare kengetallen het best in beeld.

Hoe vaak worden de normen herzien?
De bss, nge en ege worden in principe iedere twee jaar herzien, conform afspraken in Europees verband. De laatste herziening van de normen is uitgevoerd voor de Landbouwtelling van 2007. De normen hebben als prijsniveau '2004'.
Voor de lijst met normen geldt dat er ieder jaar kleine wijzigingen plaats kunnen vinden. Dit heeft dan betrekking op die diersoorten en gewassen die in het betreffende jaar nieuw dan wel verdwenen zijn op de lijst van de Landbouwtelling. In de Landbouwtelling van 2006 worden in principe dezelfde normen gebruikt als in 2005. In 2006 is echter de lijst met producten aanzienlijk uitgebreid. Bij het toekennen van de normen voor die nieuw onderscheiden gewassen is zoveel mogelijk aangesloten bij de normen van het gewas waar die gewassen in 2005 onder vielen. Boerenkool is bijvoorbeeld een nieuw gewas in 2006. In 2005 werd boerenkool opgegeven bij de overige groenten. In 2006 krijgt het dan dezelfde norm als die overige groenten. Voor de Landbouwtelling van 2007 worden weer nieuwe normen berekend, waarbij wel zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de specifieke saldi van die nieuwe gewassen.

Waar zijn de meest recente lijsten te vinden?
De lijsten die betrekking hebben op de landbouwtelling van een bepaald jaar worden tegelijk met de beschikking van de Landbouwtelling van dat jaar gepubliceerd in de Staatscourant. Dit gebeurt enige tijd voor het daadwerkelijk plaatsvinden van de telling, meestal in maart.

Alleen de normen die in de Staatscourant zijn gepubliceerd zijn rechtsgeldig (zoals bij verkrijgen van subsidies, bouwvergunningen ed.). De bss en nge zijn en blijven echter normen, wat automatisch betekent dat individuele bedrijven er van af zullen wijken. Daarom wordt toch geadviseerd om bij besluitvorming naast de normen ook informatie van het bedrijf zelf te gebruiken.

De normen worden ook jaarlijks opgenomen in de publicatie ‘Land- en tuinbouwcijfers’ van het CBS en het LEI. Ze staan ook op de internetsite van het LEI, waar via de Rekenmodule het betreffende landbouwtellingsjaar geselecteerd kan worden.

Bij welke landbouwtelling hoort welke normenlijst?


Tabel 1 Sbe, bss- en nge-niveau per jaar van de Landbouwtelling

Landbouw-
sbe- bss- en deelfactor
telling niveau nge- bss/nge
    niveau (euro)
1990 1986 1986 1.235
1991 1986 1986 1.235
1992 1991 1988 1.290
1993 1991 1990 1.310
1994 1991 1990 1.310
1995 1994 1992 1.320
1996 1994 1992 1.320
1997 1994 1994 1.400
1998 1997 1994 1.400
1999 1997 1996 1.390
2000 1997 1996 1.390
2001 1997 1998 1.390
2002 - 1998 1.390
2003 - 2000 1.375
2004 - 2000 1.375
2005 - 2002 1.400
2006 - 2002 1.400
2007 - 2004 1.420
2008 - 2004 1.420
2009 - 2004 1.420
2010 - 2004 1.420
       



Was de verhouding tussen het aantal nge en sbe voor alle bedrijven gelijk?
Nee, de verhouding tussen het aantal sbe (zoals die tot 2001 konden worden gebruikt) en nge voor een bepaald bedrijfstype was afhankelijk van het aandeel van de indirecte (niet-toegerekende) non-factorkosten in het saldo. De indirecte non-factorkosten zijn gelijk aan het totaal van afschrijving machines en werktuigen, afschrijving bedrijfsgebouwen, brandstof machines en werktuigen, onderhoud en algemene kosten.

Wanneer het saldo relatief hoog is, ter dekking van veel non-factorkosten bij een relatief lage netto-toegevoegde waarde, dan is de verhouding tussen sbe en nge relatief laag. Dit is bijvoorbeeld op de akkerbouwbedrijven het geval (zie tabel).

Tabel: Verhouding tussen sbe en nge (sbe per nge) per bedrijfstype

Landbouwtelling:

1997

1998

1999

2000

2001

Sbe-niveau:

1994

1997

1997

1997

1997

Nge-niveau:

1994

1994

1996

1996

1998

Akkerbouwbedrijven

2,63

2,79

2,77

2,77

2,90

Tuinbouwbedrijven

3,34

3,44

3,28

3,30

3,24

Blijvendeteeltbedrijven

3,13

2,94

3,62

3,66

3,79

Graasdierbedrijven

2,87

2,73

2,79

2,80

2,84

Hokdierbedrijven

2,80

2,88

2,78

2,77

2,80

Gewassencombinaties

3,15

3,13

3,14

3,15

3,28

Veeteeltcombinaties

2,87

2,81

2,77

2,76

2,81

Gewas-veeteeltcombinaties

2,80

2,81

2,82

2,81

2,89

Totaal

2,98

2,97

2,98

2,99

3,02

Bron: CBS-Landbouwtelling; bewerking LEI.


Hoe bereken je het totaal aantal nge van een bedrijf?
Voor bedrijven zonder teelt van voedergewassen kunnen de arealen en dieren met hun normen worden vermenigvuldigd en worden gesommeerd. Wel zijn er enkele voorwaarden voor biggen, lammeren en geitjes.
Voor ruwvoedergewassen geldt de regel dat het alleen mag worden meegenomen in de berekening als er sprake is van een ruwvoeroverschot.
De directe kosten voor de ruwvoedergewassen zijn al verdisconteerd in het bss en de nge van graasdieren.
In de praktijk betekent dit, dat voedergewassen  (dat zijn onder andere grasland, snijmaïs, voederbieten en luzerne) slechts zelden bss en nge krijgen. 
Er is een ruwvoeroverschot indien de verhouding (‘R’) tussen het bss (of nge) van graasdieren en het bss van voedergewassen kleiner is dan de coëfficiënt Rs , welke gesteld is op 1,7.Voor de exacte rekenregel wordt verwezen naar het document over de NEG-typering op de site van het CBS.
Een berekening van de bedrijfsomvang en het bedrijfstype kan worden uitgevoerd met de nge-rekenmodule op onze internetsite, die vanaf begin mei 2005 beschikbaar is.


Wat is een volwaardig bedrijf?
Een volwaardig bedrijf is een moeilijk te omschrijven en te kwantificeren begrip. Afhankelijk van het doel van de vraag kan het bijvoorbeeld gedefinieerd zijn als voldoende productieve werkgelegenheid op een bedrijf voor tenminste een persoon (vak), of een bepaald niveau aan toegevoegde waarde of de continuïteitskansen onder toekomstig beleid. Bij het laatste heeft ook de financiering van het bedrijf invloed. Er kan ook voor een combinatie van factoren worden gekozen, bijvoorbeeld een dagtaak met een ‘redelijk’ inkomen.

Vaak wordt de bedrijfsomvang (gemeten in nge) als indicator gebruikt om te bepalen of een bedrijf al dan niet volwaardig is. De nge zijn echter normen.  De werkelijk gemeten economische omvang bij individuele bedrijven zal dan ook afwijken van de norm, waardoor het LEI bij voorkeur niet spreekt over volwaardigheid gekoppeld aan een normatieve bedrijfsomvang.

Hoeveel nge is een volwaardige arbeidskracht?
Voor de beantwoording van vragen over volwaardigheid zijn de definities die het LEI van de nge en van volwaardige bedrijven hanteert van belang. Daaruit blijkt al dat het kengetal nge per vak (in gebruik tot 1999) en nge per mensjaar (vanaf 2000) slechts een richtlijn kunnen zijn: de nge is immers een vergoeding voor meer dan alleen de arbeid, terwijl een arbeidskracht alleen over arbeid gaat. Er zullen daardoor in ieder geval al verschillen zijn tussen arbeidsintensieve en kapitaalsintensieve bedrijven en bedrijfstypen.
Omdat de nge een maat is voor het saldo dat normatief met het bedrijf kan worden gehaald, kan ook dit kengetal niet worden gezien als een algemene maatstaf voor de arbeidsinzet. Het saldo geeft immers een vergoeding voor de factorkosten (arbeid en kapitaal) en de niet-toegerekende non-factorkosten zoals afschrijving en onderhoud.
In oktober 2006 is een Agri-Monitor-artikel gepubliceerd, waarin aandacht wordt besteed aan de arbeidsinzet naar bedrijfsomvang. Het aantal uren per nge staat daarin centraal.
Recente informatie over arbeidsinzet (nge per mensjaar) van enkele bedrijfstypen is ook terug te vinden in de tabellen met bedrijfsopzet in BINternet . Een iets gedetailleerder beeld geeft de onderstaande tabel:

Tabel. Nge per mensjaar op enkele bedrijfstypen, naar grootteklasse, 2003 en 2004.

  minder dan 50 tot 100 tot 200 tot meer dan Totaal
  50 nge 100 nge 200 nge 400 nge 400 nge  
Akkerbouwbedrijven 29 41 60 73 88 46
Opengrondsgroentebedrijven 19 24 19 30 34 23
Glasgroentebedrijven 16 16 28 30 33 29
Bloembollenbedrijven 23 24 35 42 62 39
Glasbloemenbedrijven 17 21 30 34 36 33
Champignonbedrijven . 24 15 19 . 25
Fruitteeltbedrijven 16 19 20 24 . 19
Boomkwekerijbedrijven 20 22 27 36 68 30
Melkveebedrijven 24 37 49 69 . 43
Overige graasdierbedrijven 24 34 49 74 . 33
Hokdierbedrijven 27 38 53 67 65 47
Gewassencombinaties 28 20 26 68 . 31
Veeteeltcombinaties 17 30 44 73 . 39
Gewas-veeteeltcombinaties 28 31 53 81 . 42
Overige tuinbouw 13 23 32 33 46 32
Totaal 24 32 42 44 42 37
Bron: Bedrijven-Informatienet van het LEI.          


Bij de volwaardige arbeidskrachten (die als zodanig tot 1999 in gebruik was) bleek over alle bedrijven heen 1 vak in 1999 (en met nge-1996) 48 nge rond te zetten, zie de onderstaande tabel. Ook hier waren grote verschillen tussen de bedrijfstypen en de grootteklassen binnen de bedrijfstypen en kon een eenduidig antwoord op de vraag dus niet worden gegeven. Bij de berekening van de arbeidsinzet kan wel het best rekening gehouden worden met het bedrijfstype en de bedrijfsomvang (tabel).
Nogmaals: de uitkomsten zijn slechts indicatief voor een bedrijf. Bovendien moet de gebruiker van de tabellen rekening houden met de klassegrenzen: de arbeidsinzet van een akkerbouwbedrijf van 98 nge (net onder de klassegrens van 100 nge) zal minder afwijken van de arbeidsinzet van een akkerbouwbedrijf van 102 nge (net boven de klassegrens) dan op basis van de gemiddelde uitkomst op basis van de 2 klassen zal blijken. 

Tabel. Nge per vak op de verschillende bedrijfstypen in Nederland, naar grootteklasse
gemeten in nge, boekjaar 1999 met nge-niveau 1996

kleiner dan

40 tot

groter dan

alle

40 nge

100 nge

100 nge

Akkerbouwbedrijven

41

58

89

70

Opengr.groentebedrijven

24

29

27

28

Glasgroentebedrijven

17

18

34

32

Bloembollenbedrijven

23

33

32

32

Glasbloemenbedrijven

19

27

36

35

Champignonbedrijven

.

18

28

24

Fruitteeltbedrijven

13

24

28

26

Boomkwekerijbedrijven *)

18

33

40

33

Graasdierbedrijven

30

50

73

57

Hokdierbedrijven

37

56

86

70

Gewassencombinaties

39

36

42

41

Veeteeltcombinaties

34

45

69

55

Gewas/veecombinaties

26

51

78

56

Totaal

31

45

51

48

*) boekjaar 1998, nge-niveau 1994

Bron: Bedrijven-Informatienet van het LEI.



Zijn er specifieke normen voor biologische teelten?
Nee, bij het toekennen van de nge (en voorheen ook de sbe) wordt geen rekening gehouden met biologische of gangbare teelten. De achtergrond daarbij is dat bij de Landbouwtelling geen onderscheid wordt gemaakt naar gangbaar of biologisch. Uit onderzoek blijkt dat er wel verschillen bestaan in rentabiliteit tussen gangbare en biologische producten. Eventueel kan de gebruiker een aanvullende berekening maken van het extra saldo dat de biologische teelt oplevert ten opzichte van de gangbare teelt. Dit extra saldo (in euro) kan met de deelfactor (afhankelijk van het prijsniveau, zie de vraag over de definitie van de nge) opgeteld worden bij de nge van de gangbare teelten.

Welke normen moeten er voor paarden worden gebruikt?
In de Landbouwtelling wordt voor paarden en pony's alleen onderscheid gemaakt naar jonger en ouder dan 3 jaar. De paardenhouderij is echter een tak die zich kenmerkt door de grote verscheidenheid tussen bedrijven. Zo zijn er veel bedrijven met 1 of 2 paarden die min of meer in de hobbymatige sfeer worden gehouden, terwijl er tegelijktijd bedrijven zijn met hoogwaardig fokmateriaal. Het spreekt voor zich dat de toegevoegde waarde en het saldo tussen die paarden en tussen de bedrijven sterk verschillen.
Om enige differentiatie in de Landbouwtellingsnorm aan te brengen is hieronder een specificatie opgenomen van enkele 'gebruiksdoelen' van paarden, die mede de basis hebben gevormd voor de normen van de Landbouwtellingsrubrieken. 

  Normen 2000 Normen 2002 Normen 2004
  bss nge bss nge bss nge
Manegepaarden 4.220 3,07 5.150     3,68 3.680 2,59
Pensionpaarden 2.460 1,79 2.780     1,99 2.270 1,60
Africhtingspaarden 5.000 3,64 4.700     3,36 4.710 3,32
Manegeponies 3.840 2,80 4.900     3,50 3.760 2,65
Pensionponies 1.740 1,27 2.350     1,68 2.090 1,47

Los van deze specificatie geldt dat de verschillen tussen paarden zodanig groot kunnen zijn, dat beter zoveel mogelijk uitgegaan kan worden van de werkelijke bedrijfsgegevens. Daarbij kan dan gebruik worden gemaakt van het onderstaande rekenschema, dat ook geldt voor dieren en gewassen die niet op de tellingslijst voorkomen (in dit voorbeeld is een fictieve diersoort gebruikt: de quinto).

Resultaat per quinto per jaar (euro)  

Opbrengsten

 

1.225

 

 

 

Toegerekende kosten

 

   660

w.v. veevoer

    550

 

       energie

      80

 

       overige directe kosten

      30

 

 

 

 

Bruto saldo

 

   565

 

 

 

Nge 2004

 

0,398



Hoe moet er omgegaan worden met dieren of gewassen die niet op de lijst staan?
De meeste gewassen en diersoorten staan op de lijsten. Wanneer ze namelijk niet in een van de nauwkeurig omschreven categorieën passen, vallen ze veelal wel onder een algemene categorie 'overig', zoals die ook op de landbouwtelling staat bij bepaalde groepen van gewassen en diersoorten. Voor de exacte categorie geeft de toelichting op de landbouwtelling veelal uitsluitsel (zie daarvoor de website www.hetlnvloket.nl).

Voor de meeste regelgeving zal dan ook deze norm gehanteerd moeten worden. Wanneer ze echt nergens onder vallen, dan hangt het van de instantie af of er geen nge worden toegekend (de strikt juridische opvatting) of dat er in analogie of via eigen berekeningen nge worden toegekend. Van deze laatste mogelijkheid kan in ieder geval gebruik worden gemaakt wanneer de eenheden dienst doen in bedrijfseconomisch onderzoek, zoals boerenzuivelbereiding, struisvogels en een uitsplitsing van paarden.
In de figuur is een voorbeeld gegeven van hoe men zelf het aantal nge kan berekenen van een gewas, diersoort of in één keer van het totale bedrijf. Het is bij deze berekening wel van belang dat zoveel mogelijk wordt uitgegaan van 'normale' omstandigheden en dat de kosten zo nauwkeurig mogelijk aan de verschillende bedrijfsonderdelen worden toegedeeld. 

Resultaten per quinto per jaar (euro)

 

Opbrengsten

 

1.225

 

 

 

Toegerekende kosten

 

660

w.v. veevoer

550

 

       energie ruimteverwarming

80

 

       overige directe kosten

30

 

 

 

 

Bruto saldo

 

565

 

 

 

Nge 2004

 

0,398



Waarom worden de normen regelmatig herzien?
Er vinden vrijwel voortdurend veranderingen in de verhoudingen van prijzen en productiviteit tussen producten plaats. Die veranderingen hebben invloed op de saldi per dier en gewas. Daarom is regelmatig herberekening van de bss en nge nodig. In Europees verband is afgesproken om die herberekening elke twee jaar uit te voeren.

Waarom worden bss en nge berekend?
De bss en nge worden berekend om op basis van economische criteria bedrijven in te kunnen delen in bedrijfstypen, om de omvang van verschillende sectoren vast te kunnen stellen en om de omvang van bedrijven van verschillende bedrijfstypen te kunnen vergelijken. De bedrijfstypering (volgens de zogenaamde NEG-typologie) wordt gebruikt in statistiek (bv door CBS en Eurostat) en onderzoek.
De normen worden gebruikt in regelingen en beleid.

Waarvoor zijn bss en nge niet geschikt?
De bss en nge zijn niet geschikt om het inkomen van individuele bedrijven vast te stellen: een algemene norm houdt immers geen rekening met specifieke kwaliteiten en situaties op individuele bedrijven. Daarnaast geldt dat er tussen jaren en bedrijven verschillen zullen zijn in productiviteit, gerealiseerde  prijzen en dergelijke.
De normen zijn bovendien ook niet zonder meer geschikt om de continuiteitskansen of opvolgingsmogelijkheden van een bedrijf te bepalen. Ook hiervoor geldt dat meer bedrijfsspecifieke gegevens nodig zijn, zoals bijvoorbeeld informatie over inkomen, financiering en moderniteit. Ook zou rekening gehouden moeten worden met zaken als marktperspectieven, beleid en omgeving.
  
Print deze pagina

Contact
Walter van Everdingen
walter.vaneverdingen@wur.nl
070 3358312
 
Jakob Jager
jakob.jager@wur.nl
070 3358314
»  meer Contact