Toelichting

  Barometer
  Binternet
  Land- en tuinbouw
  Toelichting
  Visserij
  Bosbouw
  Veelgestelde vragen
  Land- en tuinbouwcijfers
  Agrarische prijzen
  Bedrijfsomvang en -type
  Sectoren A-Z

Informatienet voor land- en tuinbouwbedrijven
Het Informatienet is een onderdeel van de WOT-unit Centrum voor Economische Informatievoorziening (CEI). De activiteiten van het CEI worden gefinancierd door het Ministerie van EL&I (voorheen: LNV). Meer informatie over het Informatienet is terug te vinden in de folder.

Op deze pagina vindt u onder de volgende kopjes uitleg over de achtergronden van de gegevensverzameling ten behoeve van het Informatienet:

Waarnemingsveld en steekproef
Het Informatienet voor land- en tuinbouwbedrijven omvat een steekproef van de bedrijven uit de Landbouwtelling die binnen een vastgesteld kader vallen. Vanaf 2010 is dit steekproefkader gedefinieëerd als land- en tuinbouwbedrijven met een omvang (gemeten in Standaardopbrengst) van minimaal 25.000 euro. Meer informatie hierover is opgenomen in bijlage 5 van het rapport Actuele ontwikkeling van resultaten en inkomens in de land- en tuinbouw in 2011.
In de voorliggende jaren was de afbakening op een ander kengetal, namelijk de Europese grootte-eenheid (ege). Tussen 2001 en 2006 was de steekproefpopulatie gedefinieëerd als land- en tuinbouwbedrijven met een omvang tussen 16 en 1200 Europese grootte-eenheden (ege). In 2006 is voor glasgroentebedrijven de bovengrens verlegd naar 2000 ege en vanaf 2007 gold die bovengrens ook voor alle andere bedrijfstypen. 
Bij de gehanteerde ondergrens van 25.000 euro valt voor 2010 ongeveer 70 tot 75% van alle 72.300 bedrijven uit de Landbouwtelling binnen het steekproefkader. Wat productie en cultuurgrond betreft is de dekking groter: ongeveer 93% van de totale oppervlakte cultuurgrond en bijna 99% van de totale Standaardopbrengst wordt door het steekproefkader gedekt. Die dekking verschilt wel per gewas en diersoort.

Het werven van de bedrijven voor deelname aan het Informatienet verloopt volgens een steekproefplan dat jaarlijks wordt opgesteld. Er wordt een minimale rotatie van bedrijven aangehouden, mede om de kosten van het verzamelen van de gegevens te beperken. Minimale rotatie kan worden gezien als een natuurlijk roterend panel, waarin bedrijven worden vervangen indien zij niet meer binnen de grenzen vallen van de strata (groepen) zoals aangegeven in het steekproefplan. Daarnaast is vervanging nodig doordat deelnemende bedrijven uitvallen. Het vaststellen van de steekproef vindt zodanig plaats dat uiteindelijk met een zo gering mogelijk aantal bedrijven per bedrijfstype en per grootteklasse betrouwbare resultaten kunnen worden gepresenteerd.
Daarbij wordt per groep van bedrijven, het zogeheten stratum, gekeken naar de spreiding in resultaten tussen de bedrijven onderling. Naarmate deze groter is worden er meer bedrijven gekozen. Ook dit werkt kostenbesparend en bovendien zorgt het voor een kleinere kans op vertekening door toevalstreffers.

De indeling in strata gebeurt aan de hand van 2 variabelen: het bedrijfstype en de omvang (ege) van het bedrijf. Voor het indelen van bedrijven in bedrijfstype wordt gebruik gemaakt van de NEG-typering. Dit is de Nederlandse variant op de EG-typering die in de EU wordt gebruikt. Bij het berekenen van gemiddelde resultaten van groepen bedrijven wordt gebruik gemaakt van de wegingsfactor per bedrijf. Deze factor geeft aan hoeveel bedrijven elk bedrijf vertegenwoordigt op basis van zijn specifieke kenmerken. Bij het presenteren van de resulaten van een groep van bedrijven wordt op die manier rekening gehouden met de trekkingskans van de individuele bedrijven.
Meer informatie over waarnemingveld en steekproef >>

Gegevensverzameling
De verzameling van de gegevens is in handen van medewerkers van het LEI. Zij hebben over het algemeen zowel een agrarische als een administratieve opleiding en beschikken over de vereiste kennis om zowel financiële als technisch-economische gegevens te verzamelen. Zij onderhouden regelmatig contact met de deelnemende agrariërs. Dat gebeurt zowel per post, als per telefoon en bedrijfsbezoek. Het laatste is erg belangrijk om tot in detail op de hoogte te zijn van de kenmerken van de bedrijven en een goede vertrouwensrelatie te ontwikkelen. Deze medewerkers werken en wonen dan ook in de gebieden van de bedrijven waarvoor zij contactpersoon zijn.

De deelnemende bedrijven krijgen van het LEI de garantie dat hun individuele gegevens niet naar buiten worden gebracht en dat de gegevens anoniem in onderzoek worden gebruikt. Vertrouwelijkheid in de relatie ondernemer-LEI staat centraal om de gegevensverstrekking zo goed mogelijk te laten verlopen. Het LEI maakt, om de gegevensverzameling zo efficiënt mogelijk te laten verlopen, zo veel mogelijk gebruik van electronisch vastgelegde gegevens, zoals van banken over ontvangsten en betalingen.

De medewerkers die de gegevens verzamelen, verwerken de gegevens van de afzonderlijke bedrijven. Zij werken daarbij op basis van gemeenschappelijke uitgangspunten en normen. Alle gegevens worden centraal vastgelegd, zodat ze door onderzoekers benut kunnen worden. De deelnemende bedrijven ontvangen als tegenprestatie onder andere een bedrijfsverslag en een bedrijfsvergelijkend overzicht.

Uitgangspunten en begrippen
Het Informatienet geeft onder andere inzicht in de financiële gang van zaken van agrarische bedrijven. Het meest gebruikte element daarin is de verlies- en winstrekening van bedrijven (ook wel winst- en verliesrekening of resultatenrekening genoemd), die een overzicht geeft van de kosten en opbrengsten in het kalenderjaar. Het verschil tussen kosten en opbrengsten is het inkomen uit bedrijf: het inkomen dat resulteert voor het gezin (of de gezinnen) van het bedrijf voor hun arbeid, de inzet van vermogen en het gelopen risico. Inkomsten van de ondernemers die buiten het bedrijf worden gerealiseerd, zoals inkomen uit arbeid, uitkeringen of belegd vermogen, worden apart van het bedrijfsinkomen vastgelegd. Dat geldt ook voor de privé-bestedingen. In de bedrijfseconomie wordt ook aan de eigen inzet van productiefactoren (arbeid en kapitaal) kosten toegerekend. Dit leidt tot de tabel met bedrijfseconomisch resultaat, waarin het netto-bedrijfsresultaat en de rentabiliteit (opbrengsten per 100 euro kosten) de centrale kengetallen zijn.

Een verdere beschrijving van uitgangspunten en begrippen is opgenomen in
'Het Bedrijven-Informatienet van A-Z'.

Resultaten: tabellen en kengetallen van groepen bedrijven
Vanuit het Informatienet kan een breed scala aan kengetallen worden gepresenteerd. Een uitgebreid overzicht van de kengetallen die vanuit het Informatienet samengesteld kunnen worden is opgenomen in het rapport
'Beschikbare informatie in het Bedrijven-Informatienet Land- en tuinbouw'. Voor de rapportage via BINternet is daaruit een selectie gemaakt. De rapportage van de verschillende onderdelen van de jaarrekening staat daarbij centraal. De bedrijfsresultaten en inkomens doorlopen in het algemeen drie stadia, namelijk die van ramingen, voorlopige uitkomsten en definitieve uitkomsten. 

  • De ramingen zijn gebaseerd op externe prijs- en hoeveelheidsontwikkelingen die gekoppeld zijn aan de uitgangspunten uit het Informatienet.
  • De voorlopige uitkomsten zijn gebaseerd op een deel van de bedrijven dat op een bepaald moment is uitgewerkt.
  • De definitieve uitkomsten omvatten resultaten van definitief afgesloten bedrijfsgegevens van alle bedrijven die in die groep te verwachten zijn.

Ook definitieve uitkomsten kunnen nog wijzigen. Als van een bedrijf na het vrijgeven van de jaarresultaten van een bepaald jaar nieuwe informatie beschikbaar komt over dat jaar, wordt dat ook in dat jaar verwerkt. Dat werkt dan weer door in de gemiddelde uitkomsten van de groepen bedrijven. Ook kan het voorkomen dat rekenmethoden of uitgangspunten wijzigen. Soms is het dan handig om dat met terugwerkende kracht door te voeren, zodat geen trendbreuk in de resultaten ontstaat.

Publicatie en analyse
Publicatie en analyse van de resultaten vindt onder andere plaats via: '
Actuele ontwikkeling van bedrijfsresultaten en inkomens' en het 'Landbouw-Economisch Bericht'. Ook in Agri-Monitor worden regelmatig artikelen opgenomen die gebaseerd zijn op gegevens uit het Informatienet.

Wijziging in uitgangspunten en begrippen
Omdat de uitgangspunten en begrippen die vanaf 2001 worden toegepast anders zijn dan in het verleden (bekijk de belangrijkste wijzigingen via een artikel uit 2003 in Agri-Moniotor
) en de resultaten beïnvloeden, is er voor gekozen om de databases van oude en nieuwe jaren op de BINternet-site niet aan elkaar te koppelen. De gegevens van de oude jaren (en oude methoden) kunnen en mogen niet zonder meer vergeleken worden met de nieuwe jaren.

Eind 2009 is er besloten tot een nieuwe aanpassing van de uitgangspunten rond de aanwas van biologische activa en afschrijving melkquotum.

Aanwas van biologische activa
In de internationale accountancyregels die het LEI vanaf 2001 volgt, wordt de prijswijziging van alle biologische activa in het resultaat opgenomen. De gebruikers van de gegevens hebben echter aangegeven de waardeverandering van de duurzame biologische activa (o.a. melkkoe, fokzeug, fruitboom) niet in het resultaat terug te willen zien. Het systeem is namelijk lastig uit te leggen en door de fluctuerende prijzen van gebruiksvee ontstonden (sterke) inkomensschommelingen die niet in de portemonnee werden gevoeld. De definities zijn daarom, na overleg met LTO en het Ministerie van LNV, per eind november 2009 aangepast, zodanig dat de waardeverandering van de duurzame biologische activa niet meer in het resultaat wordt opgenomen. Deze wijziging wordt per 21 december met terugwerkende kracht doorgevoerd in de uitkomsten vanaf 2001 die op de website van het LEI worden gepubliceerd.

Afschrijving melkquota

Het LEI bracht in de bedrijfseconomische resultatenrekening tot eind boekjaar 2008 geen afschrijving op melkquota in rekening. Het belangrijkste argument daarbij was dat de melkquota hun waarde bleef behouden. Daarnaast was het uitvoeringstechnisch haast onmogelijk om bij nieuw in administratie te nemen bedrijven de gehele quotumhistorie boven water te halen. De besluitvorming over het afschaffen van de quotering in 2015 leidt er echter toe dat het quotum zijn waarde vanaf het moment van dat besluit niet zal blijven behouden en dat afschrijven dus noodzakelijk is.

In overleg met LTO en het Ministerie van LNV, is besloten om vanaf het boekjaar 2009 een post “afschrijving melkquotum” in rekening te gaan brengen. Deze afschrijving zal bestaan uit 2 onderdelen: afschrijving op quota die per 1 januari 2009 op een bedrijf aanwezig waren en afschrijving op quota die na 1 januari 2009 zijn aangekocht. Van het per 1-1-2009 aanwezige quotum wordt bij elk individueel bedrijf 25% van de waarde lineair in 75 maanden afgeschreven. De 25% is berekend als 50% (aangekocht deel) van 50% (de waardedaling van het quotum die niet zal worden gecompenseerd door een waardestijging van andere activa). Van het na 1-1-2009 aangekochte quotum wordt 50% van de waarde afgeschreven over de nog resterende periode tot 31 maart 2015. Tevens is besloten om voor een periode van 1 of 2 jaar voor melkveebedrijven 2 inkomenskengetallen te presenteren: één met en één zonder afschrijving melkquotum.

Vervallen van de bovengrens (vanaf boekjaar 2010, aanpassing december 2011)
Bij de overstap naar de NSO-typering is het steekproefkader aangepast: de bovengrens van 2.000 ege is komen te vervallen. Wanneer in 2010 de bovengrens nog zou hebben bestaan, zou het Informatienet representatief zijn geweest voor 52.140 bedrijven. In de nieuwe situatie zonder grens worden 235 (0,5%) bedrijven meer beschreven. De meeste bedrijven die er nieuw bij zijn gekomen, zijn terug te vinden bij de glastuinbouwbedrijven, bloembollenbedrijven en boomkwekerij. Het aantal nieuwe bedrijven is beperkt, maar door de zeer grote omvang van deze bedrijven beïnvloeden zij de gemiddelde omvang wel sterk. Zo is de invloed bij de glasgroentebedrijven op de Standaardopbrengst maar liefst 39%. In de oude situatie zou het gemiddelde uitkomen op ruim 1 miljoen euro, in de nieuwe situatie is dat ruim 1,4 miljoen euro. Meer informatie is opgenomen in bijlage 5 van het rapport Actuele ontwikkeling van resultaten en inkomens in de land- en tuinbouw in 2011.





  
Print deze pagina