Jaarlijks vloeit er veel geld vanuit Brussel naar de verschillende Europese regio’s in het kader van het beleid voor ontwikkeling van het platteland (POP). De Europese commissie toetst de effecten van dit beleid met een in 2006 ontworpen methode. Voor deze methode is een alternatief beschikbaar dat zowel minder tijdrovend is, als een beter resultaat oplevert. Zo beschrijft het LEI in het rapport The mixed case study approach.
Voor de evaluatie van het EU-plattelandsbeleid 2007-2013 heeft de Europese Commissie het Common Monitoring and Evaluation Framework (CMEF) ontworpen. Dit is een nogal omslachtige methode, waarbij data voor zo’n 160 indicatoren moeten worden verzameld en bijna 140 gemeenschappelijke evaluatievragen moeten worden beantwoord. Het CMEF wordt door veel EU-lidstaten als een hinderlijke eis van ‘Brussel’ ervaren. Op verzoek van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) heeft het LEI hiervoor een alternatieve methode ontwikkeld. De bijzondere meerwaarde hiervan is, naast een besparing op arbeid bij de uitvoering, dat op regionaal niveau een beeld ontstaat van het hoe en waarom van de impact van het beleid.
Een beeld van de regio
De standaard methode levert alleen een beeld op van wat er in een land of regio is gebeurd en geef geen inzicht in processen in de regio.. De alternatieve methode toont die wel, zoals blijkt uit twee case-studies die het LEI heeft uitgevoerd. Hier komt uit naar voren dat er in Gelderland bij beleidsmakers en betrokken weinig enthousiasme is voor het plattelandsbeleid. In Zeeland daarentegen blijkt de betrokkenheid juist groot. Met name omdat het plattelandsbeleid wordt gebruikt voor het opwaarderen en het vernieuwen van de toeristische infrastructuur, wat goed aansluit bij de lange toeristische traditie in Zeeland. Daarnaast vormen sommige maatregelen een welkome aanvulling om het aanbod van basisvoorzieningen en de leefbaarheid op het Zeeuwse platteland op peil te houden.